Showing posts with label Verhalen. Show all posts
Showing posts with label Verhalen. Show all posts

Thursday, 16 January 2014

Nieuw blog geboren

https://blogger.googleusercontent.com/img/b/R29vZ2xl/AVvXsEjzJ_KZjDN4SR0PFNA-PxhOzwC0FzXDyoKFdQFlsL6CG-3XXsT0-DRSBKM07eKZyE-etQ3WyQGzfCMN5qfik8IIo71wSgtQWLJG-MwJcUOeli0tUMlCdXVoFEck3IayRjw3UbLvwjyu8VZ7/s1600/NL.jpg

Hiep hiep hoera er is feest! Er is een nieuw blog geboren! Gisteren had ik eindelijk na maanden weer eens inspiratie en heb heerlijk de hele dag geschreven. Maar in het Engels en ja waar laat je dat? Dus ik heb op aanraden een nieuw Engelstalig blog geopend waar ik mijn Engelstalige gedichten en verhalen kwijt kan:

Much Ado About Writing heet het en dankzij de editing van Daan (waarvoor mijn dank) die een aantal jaren in de UK gewoond heeft, staat het eerste Engelse verhaal er. Dus welcome!

© KH

Wednesday, 13 November 2013

Intuïtie

Als een gewond dier zat ze daar, in elkaar gedoken op de grond. Niet eraan denkend om te bewegen, bang om aangeraakt te worden. Stel dat iemand haar zou zien, niet bewegen, niet ademen. Bij iedere beweging van zijn kant dook ze in elkaar, een hoopje ellende dat was ze.
Waar ze vandaan kwam, hoe ze heette, het werd op dit moment uitgezocht door een heel team van rechercheurs met hem aan het hoofd. Hij krabde zich op zijn kaler wordende bol en keek peinzend haar kant op. Hij moest toch op een of andere manier met haar zien te praten maar hoe? Haar kleren plakten op haar lichaam. Ze was vuil en ja sorry dat hij het zei, maar ze stonk ook. Korsten opgedroogd bloed plakten aan haar haren die langs haar gezicht hingen. Hij leunde tegen zijn bureau en keek haar dringend aan: 'Ik kom nu naar je toegelopen en ik wil je alleen wat vragen. Er gebeurt je niks, je bent veilig. Ik wil je alleen wat vragen stellen, goed?' Zijn collega's maakten altijd achter zijn rug om opmerkingen over zijn norse stem, en hij had echt geprobeerd die zo vriendelijk mogelijk te laten klinken. Hij liep op haar af en ja hoor, ze dook zo ze kon, nog meer in elkaar. Hij hurkte bij haar neer en reikte haar een beker water aan. 'Hier', zei hij zijn vriendelijkste stem opzettend. 'Drink wat, je zult wel uitgedroogd zijn. Het is gewoon water.' Hij gaf haar het water en toen ze geen aanstalten maakte hield hij de beker tegen haar gesprongen lippen. Even sijpelde er water over haar kin maar voorzichtig als een klein kind, begon ze te drinken. Heel voorzichtig, met kleine slokjes, om vervolgens gulziger te slokken. 'Ho ho niet te snel, ik weet niet hoelang je niks meer gegeten en gedronken hebt', baste hij. 'De dokter is onderweg, die zal wel weten wat te doen', mompelde hij meer tegen zichzelf dan tegen haar. Met een van de papieren handdoekjes van de wastafel in water gedrenkt depte hij voorzichtig haar gezicht een beetje af. Het arme kind zat stijf onder het vuil. Hoe oud zou ze zijn? Haar jurk gescheurd, op blote voeten, vuil en onder het bloed, hij schudde zijn hoofd. '17', hoorde hij fluisteren. Had hij het zich hardop afgevraagd? 'Ben je 17 jaar?', vroeg hij haar. Heel langzaam ging haar hoofd op en neer. 'En je naam, kun je mij je naam geven?' Het leek een eeuwigheid te duren, ze smakte met haar lippen. Hij gaf haar nog een slokje water en toen zei ze: 'Tessa' Alsof het een enorme inspanning had gevergd sloot ze vermoeid haar ogen en het leek of ze bewusteloos geraakt was. Of sliep ze gewoon? Waar bleef die dokter? Hij schreeuwde het even later ook door de bijna verlaten gang.

Ik lag al uren op bed toen mijn telefoon ging. Even wist ik niet waar ik was, volgens mij was ik net nog aan het jet-skieën met George Clooney. Wie belde er in vredesnaam om dit tijdstip? Verdwaasd nam ik op. 'Doc, met mij', alsof dat alles verklaarde. Ik wierp een blik op de wekker: 'Wie je ook bent, ik hoop dat je een goede reden hebt om mij van mijn date met George af te houden'. Even was het stil aan de andere kant: 'O sorry, ik wist niet dat, sorry.' O jee, die denkt echt dat ik.. daar maken we maar snel een eind aan voor er geruchten verspreid gaan worden: 'Nee ho, ik was aan het dromen! Over George, George Clooney? Nou ja, laat ook maar, met wie spreek ik eigenlijk en waarom bel je?' 'Met rechercheur Tom Brandts, we hebben elkaar eerder ontmoet, je gaf mij je kaartje, als ik hulp nodig had kon ik je bellen?' Ik heb koffie nodig denk ik bij mezelf terwijl ik uit bed stap en naar de keuken slof: 'Ja Tom dat klopt, sorry hoor ik ben echt nog niet wakker. Wat kan ik voor je doen?'Tom vertelde me over het meisje dat ze gevonden hebben, dat Tessa heet, 17 jaar is en dat ze er meer niet uitgekregen hebben, of ik kan helpen. 'Ik wil je wel even waarschuwen, ze moet nog medisch onderzocht worden, maar we willen er eerst jou naar laten kijken, gooi het maar op mijn intuïtie', zei hij. Het maakte me nieuwsgierig genoeg om er de koffie voor te laten schieten.

Tom had niks teveel gezegd. Het arme ding was vreselijk schuw. Tom had uitgelegd wat hij gedaan had, wat hij geprobeerd had beter gezegd. Van een afstand keek ik naar haar hoe ze daar in elkaar gedoken zat. De koffie hier was warm en maakte me wakker maar o wat een bocht: 'Ik snap niet hoe je dit dag in dag uit kunt drinken´, zei ik met een vies gezicht terwijl ik nog een slok nam. Tom keek me onderzoekend aan:´Wat denk je van haar?' 'Waar hebben jullie haar gevonden?' ik keek hem aan, de grote gesloten man zou dit eerst moeten uitleggen voor ik wat kon betekenen. Hij krabde zich op zijn hoofd, een tik van hem. 'Collega's voerden een controle uit bij de haven in een loods na een anonieme tip, daar vonden ze geen drugs wat ze dachten aan te treffen, maar dit meisje, in een smerig hok ergens achterin weggestopt.' 'Anonieme tip?' ik had het niet zo op anonieme tips, maar ik was dan ook geen rechercheur. Ik zette mijn koffie weg, en wilde naar binnen. 'Het lijkt me verstandig als jij ook meegaat', zei ik tegen Tom, 'Aangezien jij al contact gemaakt hebt met haar.' Hij knikte.

Ook van dichtbij viel was het niet te ontkennen, ze was een schuw bang vogeltje en vreselijk vervuild, het arme kind. Voorzichtig liep ik op haar af, ik zag haar onder haar lange haren door gluren. 'Hai', zei ik, 'Ik ben Evelien Dekker en jij moet Tessa zijn. Wil je niet liever op een stoel komen zitten? Veel warmer dan op die koude grond!' Tessa keek me aan maar zei niets. Ik zag dat Tom een knikje gaf toen ze naar hem keek. Ze stak een magere koude hand naar hem uit en hij hielp haar voorzichtig overeind. Ze ging tegenover me op een stoel zitten. Tom had zijn jasje uitgedaan en om haar schouders gedrapeerd. 'Tessa', begon ik, 'Ik ben psycholoog, alles wat je tegen mij verteld, vertel je in vertrouwen. Wil je met mij praten zonder rechercheur Tom erbij?' Even keek ze naar Tom. Toen hij een knikje gaf en haar een kneepje in haar hand gegeven had, knikte ze. Ik vroeg haar of ze iets wilde eten of drinken maar ze schudde haar hoofd. Terwijl Tom de ruimte uitliep, liep ik even met hem mee: 'Als ik hier klaar ben, moet ze echt nodig naar het ziekenhuis voor een medisch onderzoek. Eigenlijk begrijp ik niet waarom jullie dat niet meteen gedaan hebben.' 'Nogmaals, intuïtie', zei Tom terwijl hij de ruimte verliet om het ziekenhuis in te lichten. Ik draaide me om naar Tessa. 'Heb je het koud?' vroeg ik haar. Weer schudde ze haar hoofd. 'Ik ga je nu een aantal vragen stellen en als ik jouw antwoord daarop heb gekregen, brengen ze je naar het ziekenhuis om je volledig te onderzoeken, oké?' weer knikte ze. Ik hoopte maar dat ze ook antwoord zou geven op mijn vragen. 'Tessa, kun je mij vertellen hoe het komt dat je daar terecht gekomen bent?' Tessa keek mij aan, ik zag iets van paniek in haar ogen. Ik legde mijn hand op haar arm: 'Op je gemak maar Tessa, je bent hier veilig, er kan je niks meer gebeuren.' 'Beloofd?' vroeg ze met een benepen stemmetje. 'Beloofd', antwoordde ik ferm. 'Neem jij het op wat ik zeg', fluisterde ze ineens zachtjes. 'Niet als jij dat niet wilt' Ze schudde haar hoofd: 'Nee niet doen'. Snel keek ze naar de deur. Ineens kreeg ik een unheimisch gevoel. 'Ik schrijf wel voor mezelf een paar dingen op, goed? Is Tessa je echte naam?' Ze keek me aan met grote uitpuilende ogen. Heel langzaam schudde ze haar hoofd heen en weer. Ik voelde langzaam een steen in mijn maag zinken, alsof er iets gaande was of stond te gebeuren wat ik niet meer kon stoppen. 'Mag ik je echte naam weten dan?' Heel langzaam schoof ze haar hand naar mijn schrijfblok en schoof het naar haar toe, ze pakte mijn pen en schreef met hanepoten iets op. Ik las: Lena van Doorn. Meteen klikte er iets boven in mijn hoofd. Ik pakte mijn smartphone en zocht online haar naam op: Lena van Doorn, 2 jaar geleden als vermist opgegeven. Fietste van school weg en kwam nooit thuis aan. Twee jaar geleden, ze was nu 17 dus 15 toen ze meegenomen was. 'Wie heeft jou meegenomen en op die plek verstopt?' Lena keek me met betraande ogen aan, de eerste tranen die ik zag, en schudde hard haar hoofd. Ze kon of wilde (of mocht) het dus niet zeggen. 'Lena, als je niet zegt wie het is geweest, kan hij niet aangehouden worden, en kan het zijn dat hij het weer doet, of met jou of met een ander meisje.' Verschrikt keek ze me aan: 'Nee, niet met een ander meisje.' Ik knikte. Ik zag een traan uit haar ooghoeken naar beneden glijden. 'Zal ik Tom maar weer roepen? Misschien kun je nu naar het ziekenhuis voor onderzoek.' Met een ruk hief ze haar hoofd op: 'Niet hij.' 'Hoe bedoel je niet hij?' Maar meer wilde ze niet zeggen. Ze kroop weer in haar schulp. Ik opende de deur en riep Tom. 'Wie brengt haar naar het ziekenhuis?' vroeg ik. Toen Tom zei dat hij dat wel zou doen, zag ik de paniek in de ogen van Tessa/Lena en had ik het gevoel dat mijn bange voorgevoelens uit zouden komen.

Terwijl Tessa naar het ziekenhuis gebracht zou worden, liep ik naar de commissaris. Natuurlijk wilde hij mijn verhaal niet geloven, ik geloofde mezelf niet eens, maar ik stond erop dat hij meeliep naar de kamer waar ze zat, klaar om vervoerd te worden naar het ziekenhuis. Tom had de camera's in die kamer uitgeschakeld zo vertelde hij me, maar ik had ze weer aan laten zetten. In de kamer ernaast konden we zo precies zien wat Tom en Tessa tegen elkaar zeiden.
'Goed gedaan meisje', Tom stond met zijn rug naar de camera en Tessa's ogen leken op steeltjes te staan. 'Je hebt precies gedaan wat ik je zei, als je nu je mond blijft houden, ook in dat ziekenhuis, zeg je niks over mij, dan komt het helemaal goed.' 'En dan?' piepte Tessa. 'Dan? Niks dan. Dan is het klaar. Jij houdt je mond en niemand komt te weten waar jij de afgelopen 2 jaar geweest bent. Misschien kun je zelfs nog wel eens een keertje je ouders zien, ooit. Maar het leuke is, je kunt nergens terecht, dus deze oude eenzame rechercheur is zo goed je een kamer in zijn huis aan te bieden en die zul jij niet afslaan. Zie? Het probleem lost zichzelf op.' Tom lachte en hielp haar met opstaan. 'Jij en ik zullen het geweldig gaan krijgen samen liefje.. net zoals de afgelopen 2 jaar.' Even liefkoosde hij haar billen, haar rug om snel weer zijn handen terug te trekken. 'Kom, we gaan naar het ziekenhuis, jij kunt je niks meer herinneren, dus als ze daar zeggen dat je aangerand of verkracht bent, geen idee, ja duidelijk?' Tessa knikte. De deur ging open en dicht en Tom en Tessa waren uit het zicht van de camera verdwenen. Nu gleed er een traan uit mijn eigen ooghoek. De commissaris zag paars van woede en blafte bevelen naar de collega's van Tom. Alles ging in een sneltreinvaart. Binnen een mum van tijd lag Tom op de grond met handboeien om, stond ik naast Tessa/Lena en waren haar ouders gebeld, die huilend het politiebureau binnen kwamen.
Tom keek mij woedend aan. 'Gewoon intuïtie', zei ik, terwijl ze hem van ons wegvoerden.

© KH

Wednesday, 13 March 2013

Oog om oog

De straten waren nog nat van de nacht ervoor zag ze, nadat ze haastig de deur achter zich op slot had gedaan en zich omdraaide. Ze keek om zich heen. De lucht was vochtig. Het zou een mistige en klamme dag worden, zo wist ze. Het was nog vroeg en stil op straat. Te vroeg nog voor de krantenjongen, te vroeg voor haar eigenlijk ook. Maar het was beter zo. Ze liep vlug zonder geluid de straat uit, op weg naar het station. Ze trok haar capuchon over haar al vochtig wordende haren en rilde onwillekeurig. Even schrok ze van een kat die rakelings langs haar benen streek, de straat over rennend. Ze greep de handvatten van haar tas steviger beet en zette de pas er stevig in. De eerste trein zou over een kwartier rijden. Ze had het opgezocht voor ze het huis had verlaten. Waarheen maakte haar niet uit, zolang ze er maar weg was, ver weg en zo snel mogelijk.

Bij het station kocht ze een kaartje uit een automaat. Ze had zijn creditcard meegenomen. Zou het te traceren zijn, waar zij nu van zijn geld naartoe zou gaan? Ze hoopte het van niet. Ze wist het niet en van het idee alleen al kreeg ze koude rillingen. Ze keek op de stationsklok. Nog vijf minuten. De stationschef liep langs en tikte op zijn pet bij wijze van groet. Ze knikte en dook verder weg in haar ruime capuchon. Hij had altijd gezegd dat zij een grijze muis was, niks voorstelde, er niet uitzag. Ze hoopte nu maar dat het waar was en dat ze daardoor nu niet op zou vallen. Vanmorgen nog had ze getracht de grote blauwe plek op haar wang te verbergen met een dun laagje poeder. Ze wist niet zeker of het gelukt was. Ze wipte van de ene op de andere voet. Waar bleef die trein nou?
In de verte zag ze lichten. Nog even. En net voordat de trein met piepende remmen tot stilstand kwam en ze een zucht van verlichting wilde slaken greep iemand haar bij de arm. Ze slaakte een gil toen hij in haar oor gromde: 'En waar dacht jij heen te gaan?'

Ze moest werkelijk heel hard gegild hebben. Ze schoot overeind en stootte haar hoofd hard tegen de balk boven haar hoofd. Aan het gestamp te horen kwam hij eraan. Ze had het gedroomd. Ze was in slaap gevallen en had het allemaal gedroomd. De paniek sloeg haar om het hart toen ze de sleutel in het slot hoorde knarsen. 'Wat doe jij verdomme!', bulderde hij naar binnen. In één beweging stond hij naast haar en pakte haar bij haar haren. Ze beet op de binnenkant van haar wang om het niet weer uit te schreeuwen. 'Moet ik je mond weer dichtplakken? Is dat wat je wilt? Nou?', hij tilde haar aan haar haren op en smeet haar neer. Ze schudde haar hoofd, maar vergat even dat hij dat niet kon zien in het donker. 'Nou?', vroeg hij nog een keer. 'Nee', fluisterde ze zodat hij het bijna niet kon horen. 'Nee alsjeblieft niet'. 'Hou je kop dan dicht', hij gaf haar nog een klap in haar gezicht en ze hoorde geschuifel en weer het knarsen van de sleutel in het slot. Hij was weer weg. Ze schoof naar de muur en wreef met haar voor zich gebonden handen haar neus af. Niet huilen, niet doen, verman jezelf. Ze vinden je heus wel.
Maar hoe vaak had ze dat al tegen zichzelf gezegd? Hoelang zat ze hier al? In dit donkere hol. Ze wist het niet meer. De hoop dat ze haar ooit nog zouden vinden had ze eigenlijk al heel lang geleden opgegeven. Hij gaf haar water, dunne warme vieze drab wat door moest gaan voor soep en af en toe een hompje brood en daar moest ze het mee doen. Haar behoefte deed ze op de emmer in de hoek. Ze kon niet staan, alleen zitten of liggen op de smerige matras met de dunne deken.

Haar ouders zouden haar toch moeten missen, dacht ze in het begin. Tot ze zich bedacht dat haar ouders boos waren dat ze met het verkeerde vriendje was gaan samenwonen en het contact verbraken. Zij was boos op zichzelf want dat verkeerde vriendje bleek verkeerde vriendjes ook te hebben. En toen het verkeerde vriendje een keer die vriendjes mee naar huis nam, zo stoned als wat, en ze hun lusten op haar botvierden, kon zij bij niemand terecht. Ze vluchtte en een van die vriendjes had haar hier opgesloten. Haar 'eigen' verkeerde vriendje had ze nooit meer gezien. Ze wist niet meer hoelang ze hier al zat. Ze voelde aan haar armen. Die waren dun geworden. Ze voelde zich ook slap en moe. Ze sliep veel. Behalve als hij kwam. Ze rilde. Het was koud. Ze schoof zachtjes naar het enige kleine dichtgetimmerde raam in de kleine ruimte. Ze wurmde net zolang tot ze een klein kiertje open had. Ze voelde de splinters in haar handen komen maar het kon haar niks meer schelen. Ze wist dat ze hier dood zou gaan als ze niets zou doen. Ze moest weten waar ze was. De eerste tijd had ze hier maar zitten huilen en dat had ook niet geholpen. Ze wist dat hij haar niet zou laten gaan. Door het kleine kiertje zag ze dat ze in het havengebied zat. Ze zag water en schepen. Een afgelegen stuk terrein.

Ineens zag ze aan de achterkant van de plaat voor het raam een roestige spijker. Hij zat half los. Ze kreeg een idee. Als ze die er nu uit zou kunnen wurmen. Ze wrikte en wrong net zolang tot ze de lange spijker eruit had. Toen schoof ze de platen weer voorzichtig terug voor het raam. Ze schoof zachtjes terug naar het matras. Hij zou zo wel komen met de soep.
Niet veel later hoorde ze zijn voetstappen. Hij opende de deur en liet die op een kier staan zoals altijd. 'Zo, ben je afgekoeld?', hij zette de soep neer en streelde haar haren. Zijn handen gleden over haar lichaam en ze hoorde hem kreunen. Even later hoorde ze hem zijn rits openen. Wat walgde ze van hem! Met de roestige spijker stevig in haar handen geklemd wachtte ze af. Hij boog zijn hoofd naar voren dicht bij haar. Ze zag zijn ogen op haar gericht. En met alle kracht die ze nog in zich had plantte ze de spijker recht in zijn oog. Hij gilde en schreeuwde en viel achterover. Hij greep naar zijn oog. Zij greep de nog hete soep en gooide die over hem heen. Hij krijste als een speenvarken. Zonder erover na te denken kroop ze naar de deur. De stommerd had de sleutels er nog in laten zitten! Ze pakte de deurknop en smeet de deur achter haar dicht en draaide hem op slot. Even wankelde ze. Het was zolang geleden dat ze weer rechtop gestaan had of gelopen had. Met de sleutelbos in haar handen liep ze behoedzaam door het pand. Het was een vies oud pand met maar 1 kamer waar meubels in stonden en een keuken. Ze probeerde de keukendeur. Op slot. Ze hoorde hem nog schreeuwen en op de deur bonken. Ze werd bang. Ze moest weg en wel nu! Zou er een telefoon in huis zijn? Ze keek in de kamer maar ze zag er geen. Dan toch maar de keukendeur. Ze probeerde een aantal sleutels en eindelijk lukte het. De keukendeur vloog open en ze kwam op een binnenplaats. Daar was ook weer een deur maar die was open gelukkig. Ze had geen jas aan en had alleen haar vieze spijkerbroek en shirt aan. En geen schoenen meer, daar had hij wel voor gezorgd. Op blote voeten probeerde ze te rennen. Zijn gebulder was nog te horen. Ze herinnerde zich de droom van vannacht. Even vreesde ze dat dit ook een droom was. Met de sleutelbos in haar handen geklemd en met gebonden handen moest ze er wel uitzien als een of andere gek! Ze zag niemand. Eindelijk zag ze een auto rijden, van de bewaking ook nog. Ze zwaaide wild om haar heen. De wagen stopte en ze zag de twee mannen met elkaar overleggen. Ze stapten uit en ze konden haar nog net opvangen. De mannen zetten haar in de auto. Ze was uitgeput.

Ze werd wakker van stemmen. Ze moest met haar ogen knipperen tegen het felle licht. Alles was wit om haar heen. Ze lag in bed met een gordijn eromheen. Ze was zo moe. Haar ogen vielen steeds weer dicht. De stemmen kwamen dichterbij zo leek het. Ze probeerde zich te concentreren. Maar ze kon haar ogen niet openhouden. Weer die stemmen. Wat zeiden ze nou? Het leek of ze de stemmen van ver weg hoorde. Maar ineens hoorde ze hem! Nee, dat kon niet. Zo moe, zo moe! 'Dokter wat fijn dat u mij gebeld heeft dat ze gevonden is. Ik wist me geen raad. Hoe gaat het nu met haar?' 'Tja, wat zal ik zeggen? Ze is verward, ze zegt dat ze opgesloten heeft gezeten, verkracht is, maar daar is geen enkel bewijs van, de onderzoeken wijzen niets uit.' 'Dat vreesde ik al', zei hij. 'Ze is aan mijn zorg toevertrouwd en ik heb jammerlijk gefaald.' 'Ik ben ook bang, collega, dat u niets anders had kunnen doen, dan u gedaan heeft. Ze zal nu naar een gesloten afdeling moeten. Als ze u al te lijf gaat, dan vrees ik dat ze niet meer te redden is.' 'En haar ouders, dokter', zijn stem was rustiger, dacht ze. 'Tja, haar ouders, dat is een verhaal apart zeg. Nooit eerder meegemaakt. Die hebben we gevonden. De moeder lag in een bad, verdronken. En de vader lag in de kelder met een roestige spijker in zijn oog en hij had kennelijk ook hete soep over zich heen gehad. Ernstig. Maar ze waren al een hele tijd geleden overleden. Zeker wel een aantal maanden geleden!'
'Dus ik had niet veel meer voor haar kunnen doen, dan wat ik deed, denkt u? Die een op een begeleiding heeft zij in haar hoofd anders geïnterpreteerd?', zijn stem klonk zacht terwijl hij door een kiertje van de gordijnen naar haar keek. Hij had een lapje voor zijn rechteroog en een verband om zijn hand. 'Ik vrees van wel, collega. En het heeft u ook uw oog gekost'.

© KH

Tuesday, 29 January 2013

Het prinsesje

Het meisje draait rond in haar roze jurkje. Haar jurk zwiert om haar heen en haar mooie lakschoentjes glimmen. Haar blonde haartjes glanzen in de zon. Ze schaterlacht. Haar vader kijkt trots. Haar moeder zit even verderop met haar twee zusjes. 'Kijk eens papa', lacht het meisje, 'Ik ben een prinsesje!' De vader lacht en knikt. Hij tilt haar op, hoog boven zijn hoofd. 'Jazeker, zegt hij en geeft haar een zoen op haar glanzende blonde haren. 'Jij bent mijn prinsesje.' 'Ja', zegt het meisje. 'En dan ben jij mijn prins, hè papa?' De vader lacht nog harder, zijn hoofd achterover van plezier. Hij zet het meisje weer neer en ze huppelt weg, luid zingend: 'Ik ben een prinsesje, ik ben een prinsesje.' De moeder staat op en gaat naast de vader staan.
'Heb je iets tegen haar gezegd?' vraagt ze hem. Hij schudt zijn hoofd, zijn ogen staan bezorgd. 'Nee, laat haar maar', zucht hij.
Het meisje draait zich om en roept: 'Kijk papa daar is oma! Oma oma, kijk eens naar mijn nieuwe jurk! Ik ben een prinsesje!' Oma glimlacht, geeft het meisje een zoen en zegt: 'Nou dat ben je zeker'. en ze kijkt haar zoon aan.

Een paar jaar later roept de vader het meisje bij zich. 'Ik moet je wat vertellen', zegt hij. Het meisje kijkt hem aan. 'Oma gaat met pensioen.' Het meisje schrikt een beetje. Alles was altijd hetzelfde en nu gaat het veranderen, ze voelt het. De vader vertelt verder: 'Ik ga nu het werk van oma doen, en jij, mijn kleine prinsesje, jij gaat later weer het werk van mij doen, als ik met pensioen ga.' Het meisje denkt na. Er verschijnt een diepe fronsrimpel op haar voorhoofd. Dan zegt ze: 'Pap, wist jij dat toen oma dit werk ging doen, dat jij dat later ook zou moeten gaan doen? En wat vond je daar dan van?'
'Ja dat wist ik,' zegt de vader, 'En heel eerlijk, ik vond het niet altijd even leuk. Soms was ik wel eens boos, en soms wilde ik wel eens iets heel anders worden.' 'Dat heb ik nou ook', zegt het meisje. 'In mijn boek staat dat alle meisjes prinsesjes willen zijn, maar eigenlijk weten ze niet wat dat is hè pap?' De vader moet lachen.
'Nee, dat denk ik ook niet, niet echt', en hij geeft het blonde meisje een stevige knuffel.

© KH

Friday, 21 December 2012

Het begin van het einde



Door al het einde van de wereld gepraat zou ik vergeten zijn dat ik ook nog gewoon kerstinkopen moet doen vandaag. De wekker springt dan ook idioot vroeg aan met een alarmerend gepiep. Ik gaap en rek me uit. Rare droom vannacht, denk ik nog terwijl het warme water van de douche over me heen spoelt. Het is toch echt 21-12-12 vandaag. Och, je moet maar zo denken, in Australië is het al bijna de 22ste. Ik droog mijn haren met de föhn en kleed me aan. Langzaam loop ik naar beneden. Brr, zo aardedonker nog 's morgensvroeg. Maar nog even en de dagen gaan lengen. Het is niet voor niets de kortste dag vandaag. De hond springt blij tegen me op. Slaperig gooi ik wat brokken in zijn bak en ga eerst wat koffie zetten. Ik geniet zo van de stilte 's morgens. Ik laat de radio uit, denk ik, niet nog meer gepraat over het zogenaamde einde van de wereld. 
Ik knip alleen de lampjes van de Kerstboom aan, het gezellige licht gloeit en als ik even naar buiten kijk zie ik dat het potdicht zit van de mist.
Ik woon aan de polder dus de mist komt vaak daar vandaan. 

De hond is klaar met eten en drentelt rond mijn benen. Mijn laatste slok koffie giet ik naar binnen en aai afwezig de hond. Ik zucht. Eigenlijk zie ik vreselijk op tegen die kerstinkopen. Dat gedoe elk jaar weer. Nog maar even niet aan denken. Ik trek mijn jas aan, doe de riem van de hond om en open de voordeur. Je ziet bijna geen hand voor ogen. Ik ga denk ik even een lekkere flinke wandeling maken. Die boodschappen wachten maar even. Geen zin in veel mensen om me heen, het gepraat over de crisis, over het einde van de wereld, even gewoon alleen de natuur, de hond en ik. 

Normaal kom ik altijd wel mensen uit de buurt tegen als ik aan de wandel ben. Buurthonden ook. Maar nu, helemaal niemand. Het is uitgestorven. Het is ook zo stil! Ik hoor geen vogels. Langzaam wordt het licht. De mist hangt over de velden, in de verte zie ik de knotwilgen staan. Daar lopen we heen. Geen krassende kraaien, geen gekwaak van de eenden in de sloot. Helemaal niets. Even blijf ik stil staan en kijk om me heen. Alleen die dikke mist, die alleen maar dikker lijkt te worden. Ik laat de hond los lopen en ze rent vrolijk voor mij uit. Meestal gaat ze wel achter een konijn aan. 

Ze rent ook nu een meter of twee voor me uit en verdwijnt om de bocht van het pad. Ik hoor ineens een gejank en geschrokken ren ik naar het geluid toe. Daar zie ik mijn hond staan. Stokstijf staat ze stil en haar blik is recht vooruit gericht. Ik loop naar haar toe en zie dat haar nekharen rechtovereind staan. Ik kniel bij haar neer en fluister geruststellend in haar oor. Het helpt niet, ik voel haar trillen en hoor haar zacht grommen. Als ik haar blik volg, gaan mijn eigen nekharen ook overeind staan. 
Ik weet niet hoe ik het beschrijven moet, maar het lijkt op een rollende wolk van mist. Daar waar die mist geweest is is niets meer te zien. Geen huizen, geen bomen, helemaal niets. Ik ga weer rechtop staan en kijk om me heen. Terug naar huis is te ver, de mist is te dichtbij. Ik kijk weer naar die grote mist die aan komt rollen en ik weet niet wat ik zie. Het einde van de wereld, schiet door mijn hoofd. Van de zenuwen schiet ik in de lach. Doe niet zo gek. Dat is onmogelijk! Weer kijk ik om me heen. Het bruggetje! Ik lijn de hond weer aan en trek haar mee. We rennen door het kreupelhout en de polder naar de sloot en het bruggetje. We glibberen en glijden naar beneden en gaan onder het bruggetje zitten. Voor ik eronder duik, kijk ik nog even naar de rolmist zoals ik het maar in mijn hoofd noem. Tot mijn schrik zie ik dat hij wel heel dicht bij is! Of we hier veilig zitten, weet ik niet, maar ik sla mijn armen om de hond heen en knijp mijn ogen stijf dicht. Pas als ik een soort van 'woesh' geluid hoor en het ineens heel erg koud krijg en de hond zachtjes hoor janken weet ik dat de rolmist ons bereikt heeft. Ik wacht en zit en hou mijn adem in. 

Ik open mijn ogen als ik een natte neus tegen mijn wang voel. Ik zit samen met de hond onder het bruggetje en heb het zo vreselijk koud! Ik wil om me heen kijken maar er hangt nog steeds een mist. Het is stil, heel stil. Voorzichtig kruip ik onder het bruggetje vandaan en kijk om me heen. Weg zijn de knotwilgen, de boerderij in de verte. Mijn woonwijk? Is die er nog wel? Ik zie geen hand voor ogen. De rolmist is wel weg in ieder geval. En dan zie ik het: Alles in de wijde omgeving is weg. Gewoon weg. Hier en daar hangt er nog een tak, een afgeknakte boom, wat struiken, maar verder, alles weg. En daar sta ik dan, met de hond. 
In het niks. En denk: Dat was het dan, het einde van de wereld. 

© KH

Wednesday, 14 November 2012

Verkeerde tijd, verkeerde plaats

Doordat ze niet kon kiezen uit welke broek ze nou zou nemen in die boetiek was ze nu veel te laat. Éen blik op haar horloge en ze wist dat ze veel te laat op haar afspraak zou komen. Ze rende op hoog gehakte schoenen door de straat. Het begon al donker te worden. De lantaarns floepten een voor een aan en de etalage verlichtingen gingen uit, rolluiken naar beneden. De mensen haasten zich naar huis. Het was guur en kil buiten. Een van de laatste koopavonden van het jaar. Ze had hard en lang doorgewerkt om alles voor het einde van het jaar af te krijgen. Haar akelige baas ging een week of twee op wintersport met zijn akelige vrouw en hun akelige kinderen. Volgens hem had zij geen leven, dus zij mocht de rotklussen opknappen. 
Verdomme, nu brak haar hak ook nog af. Ze hinkepootte op 1 schoen met en 1 schoen zonder hak verder. Waar stond haar auto ook weer? Ze kende de weg ook niet in deze vervloekte stad! Hier moest ze dineren met een belangrijke klant van haar baas terwijl hij gezellig thuis zijn koffers aan het inpakken was.
Ze foeterde in zichzelf. Ze moest zich nog omkleden en opfrissen. Het zweet brak haar uit ondanks de kou. 

Ze keek om zich heen. Het was doodstil geworden om haar heen. Ze had geen enkel idee waar ze zich bevond. Ze zette de tassen naast haar neer en rommelde in haar tasje op zoek naar haar telefoon. Boven haar hoofd het licht van een enkele lantaarn. Mopperend op haar baas en zichzelf vond ze eindelijk haar telefoon toen het licht van de lantaarn begon te flikkeren en tenslotte uit ging. Ze schrok en vloekte toen hardop. Het enige licht was nu nog dat van haar telefoon. En natuurlijk, hoe kon het ook anders, geen bereik. Het zou ook eens mee zitten, dacht ze. Haar ogen wenden langzaam aan het donker en voorzichtig stopte ze haar telefoon weer in haar tas. Ze pakte haar spullen op en begon te lopen. Nergens was er licht. Zou er een stroomstoring zijn, dacht ze. Haar voeten deden pijn van het gestrompel en nog steeds had ze geen enkel idee waar ze was. Er was ook niemand op straat waar ze het aan zou kunnen vragen. De buurt zag er nu ook niet bepaald florissant uit. Het leek wel of ze in een achterbuurt terecht gekomen was. Hoe het kon, ze had er geen idee van. Net liep ze nog in de duurste winkelstraat die je maar kon bedenken. Met de creditcard van haar baas op zak te shoppen. En nu? Tranen welden op in haar ogen. Ze keek om zich heen en sloeg een zijstraat in op goed geluk. In de verte hoorde ze een geluid, eerst zacht, naarmate ze dichterbij kwam, steeds harder. Ze liep op het geluid af. 

Ze kwam bij een rivier aan. Goddank, nu hoef ik alleen daar nog maar langs te lopen tot ik bij de brug aan kom die weer naar het centrum loopt, dacht ze. Het geluid zwol aan en ze kon het niet thuis brengen wat het nu was. Het begon zachtjes te regenen. Ze kon niet meer. Ze zag een bankje en ging zitten. Dan maar geen afspraak, dan maar een boze baas en een boze klant. Het geluid werd harder en harder. Ze begon nu echt bang te worden en kroop op het bankje in elkaar. De miezer regen ging over in hardere regen. Ze trok haar jas steviger om zich heen en dook in haar kraag en begon zachtjes te snikken. Alles om haar heen was donker, bomen zwaaiden dreigend heen en weer, de rivier onder haar bulderde en een angstaanjagend geluid werd harder en harder. Ze trok haar voeten onder zich op het bankje. Ze wiegde heen en weer en het geluid werd zo hard dat ze haar handen voor haar oren moest doen. Ze kneep haar ogen stijf dicht en moest moeite doen het niet uit te schreeuwen van angst. Wat was dat geluid? Waarom was alles donker geworden? Wat was er in vredesnaam aan de hand hier? En met haar ogen dicht en haar handen voor haar oren bleef ze in elkaar gedoken zitten. 

Ineens was daar een knal, oorverdovend hard. Daarna alleen nog een gierend geluid, slepend ook. Geknetter. En toen ineens alleen maar stilte, heel even maar. En daarna sirenes, roepende mensen, rennende voetstappen. Iemand die aan haar arm sjorde maar ze bleef in elkaar gedoken zitten. Ze wilde het niet zien, ze wilde niets horen. Iemand vroeg haar wat, pakte haar spullen, het kon haar niets meer schelen. Een arm om haar heen. Ze werd opgetild en meegenomen. Het maakte haar niet uit. Ze voelde niets meer, ze was koud en wilde niet weten wat er gebeurd was. Ze werd in een ambulance gelegd en ze hoorde wel mensen vragen stellen maar ze zei niets, hield haar ogen dicht. In het ziekenhuis sliep ze, heel lang. En pas toen ze wakker werd hoorde ze wat er gebeurd was. Er was een stroomstoring geweest en daardoor was de hele stad zonder stroom komen te zitten. Een vliegtuig die een tussenstop had willen maken was neergestort. Eerst dachten ze dat zij erin had gezeten, maar later wisten ze dat zij gewoon daar gezeten had, te dichtbij eigenlijk, maar gelukkig niet dichtbij genoeg. Omdat ze de creditcard van haar baas bij zich had, dachten ze even dat ze zijn vrouw was. Ze had hen verbaasd aan gekeken. En nog verbaasder toen ze hoorde dat haar baas in het vliegtuig gezeten had. Alleen niet met zijn vrouw en kinderen, maar met zijn vriendin. Over de verkeerde tijd en plaats gesproken, dacht ze, leg dat maar eens uit. 

© KH

Thursday, 27 September 2012

Het werk mee naar huis 2



Ze had de hele ochtend al zo’n naar gevoel. Er stond iets te gebeuren alleen wist ze nog niet wat. Ongerust reed ze naar haar werk nadat ze zorgvuldig de deur achter zich afgesloten had. Het zat haar niet lekker.
Ze deed haar werk met plezier. Al jaren waren haar oudjes haar lust en haar leven. Ze had wat je noemde, plezier in haar werk. En ja, ze nam haar werk eigenlijk ook wel eens mee naar huis. Niet vaak, zo min mogelijk eigenlijk. Dat kon ook niet, je moest het zo veel mogelijk gescheiden houden. Dat was vaak lastig, maar zij kon het soms gewoon niet anders, soms was er een ‘geval’ en dan kon ze niet anders dan er thuis ook nog mee bezig zijn.

Bij de meneer waar ze vandaag heen ging was het eigenlijk niet veel anders. Thuis dacht ze regelmatig aan hem. Hij ging zo hard achteruit. Geen familie meer eigenlijk, alleen een hele verre neef die zo min mogelijk moeite wilde doen voor zijn oom. Triest eigenlijk, dacht ze, dat als je oud bent er zo weinig naar je om gekeken wordt. Laatst nog, zo’n half jaar geleden, die mevrouw in dat oude boerderijtje. Het had haar heel wat gekost om alles te regelen voor die mevrouw. De uitvaart, de bloemen, de laatste rustplaats, ze regelde het allemaal. Hoewel het niet bij haar werk hoorde maar och, ze had verder toch niets om handen en ze deed het graag. Het was het minste wat ze nog voor deze mensen doen kon.

Aangekomen bij de bejaardenwoning van de meneer, keek ze eerst even door het raam naar binnen. Meestal zat hij haar al op te wachten aan de eetkamertafel voor het raam, maar vandaag was het duister binnen. De gordijnen achterin de kamer waren nog gesloten zelfs en ze kreeg een benauwd gevoel van binnen. Eerst belde ze maar aan en eigenlijk meteen daarna stak ze de sleutel voor noodgevallen in het slot. Ze rook het al toen ze binnenkwam. Een weeïge lucht benam haar de adem. Dit was niet goed. ‘Meneer van Dalen’, riep ze met heldere stem. Geen gehoor. Ze liep voorzichtig de kamer in. Het rook er muf en doods. Ze opende de slaapkamerdeur en daar lag hij, meneer van Dalen, in zijn bed met zijn pyjama nog aan. ‘Och, meneer van Dalen toch’, hoofdschudde ze. Het moet kort nadat zij een week geleden vertrok hier gebeurd zijn, zo dacht ze. Snel controleerde ze het lichaam op eventuele bloed of andere vlekken. Niets, gewoon een hartaanval dacht ze, gezien zijn lichtblauwe lippen.

Even later reed ze met haar autootje naar huis terug. Ze was een beetje somber maar ook blij gek genoeg. ‘Het is een mooie leeftijd, meneer van Dalen’, babbelde ze, ‘96 is niet gek hoor’.
Weer thuis opende ze de voordeur. Maar goed dat ze een beetje achteraf woonde, dacht ze en ze giechelde een beetje om die gedachte. ‘We zijn thuis’! Riep ze de woonkamer in. ‘Lukt het’? Vroeg ze onnodig. Met de arm om haar nek geslagen strompelde ze met meneer van Dalen de woonkamer in. ‘Zo, we zijn er hoor’, zei ze. ‘Het viel nog niet mee hè meneer van Dalen? Maar welkom thuis hoor! Ga maar lekker zitten’. Met een plof zakte het lichaam van meneer van Dalen in een leunstoel, naast mevrouw Wijnands die een maand geleden overleden was aan complicaties van een fractuur. Op de bank zaten tegen elkaar aan gezakt de lichamen van de mevrouwen van Dijk en Broeders. En in een tuinstoel zat meneer van Dongen nog. ‘Het wordt nog gezellig druk’, lachte ze terwijl ze haar jas uittrok.
‘Toch gezellig, zo mijn werk mee naar huis kunnen nemen’, ze giechelde als een schoolmeisje om haar eigen grapje terwijl ze naar de keuken liep voor een kopje thee.

Een argeloze voorbijganger merkte de ongelooflijke stank op die bij de woning vandaan kwam en liep snel door, zonder er erg in te hebben, wat zich binnen afspeelde.

© KH

Wednesday, 26 September 2012

Het werk mee naar huis



Jarenlang deed ze haar werk al met veel plezier. Natuurlijk was ze onderbetaald en ondergewaardeerd, maar niet door de mensen waar ze dag in dag uit over de vloer kwam. Daar bood ze een luisterend oor, een arm waar nodig en als ze weg ging was ook het huis of appartement weer schoon. De oudjes, zoals ze hen liefkozend noemde, waren een deel van haar leven geworden. Bij de meesten was ze al verscheidene jaren kind aan huis en behoorde ze bijna tot het meubilair zoals 1 van haar meneren gekscherend tegen haar zei.
Altijd was er een bakje koffie, en zelfs soms een glaasje vers uitgeperst sinasappelsap voor ze begon. ‘Je moet wel aan jezelf denken hoor’, zeiden ze dan. ‘Vitamines nemen’. En dan werd er een glas sap voor haar neer gezet.
Soms liet ze honden uit als haar mensen slecht ter been waren of werden. Door weer en wind fietste ze de hele stad door, soms zelfs buiten werktijden als haar oudjes weg moesten en er een hond uitgelaten moest worden en de kinderen van de oudjes niet beschikbaar waren. Ze bakte extra oliebollen op oudejaarsdag voor al haar oudjes en zo hadden zij ook wat lekkers bij de koffie.

Alleen als haar oudjes wat mankeerden, bleef ze er thuis mee rondlopen. ‘Je moet je werk niet mee naar huis nemen’, zo werd er tegen haar gezegd. Niet alleen door haar vrienden en familie maar ook haar werkgever. Ze vond dat makkelijker gezegd dan gedaan. Ze gooide haar ziel en zaligheid in haar oudjes en dan moest ze thuis de knop ineens omgooien? Ze probeerde het op de terugweg naar huis uit. Knop omzetten. Als ze op de fiets stapte zette ze in gedachten een knop om. De hele weg had ze de tijd om het van zich af te zetten. De ene keer lukte het beter dan de andere keer. Het lag er maar net aan wat haar oudjes haar verteld hadden. De ene mevrouw werd zo vergeetachtig, de andere had nachtmerries, weer een ander werd depressief van de donkere dagen. Het maalde maar rond in haar hoofd. Iedere dag weer een ander oudje en ieder dag weer andere verhalen. Over korten van het pensioen, over korten in de Zorg, over kwaaltjes. Het liefst zorgde ze de hele tijd ervoor dat ze niets te kort kwamen. Je werk niet mee naar huis nemen, pff het was echt makkelijker gezegd dan gedaan, zo vond ze.
Ze ging het helemaal over een andere boeg gooien!

‘Lust u nog een bakje koffie? En u ook?, genietend van het gekeuvel schonk ze nog koffie in. Op de bank zaten de mevrouwen van dinsdag en donderdag druk in gesprek, in de leunstoel de meneer van maandag en op de andere stoel de mevrouw van vrijdag. Het was een gekakel van jewelste. De meneer van maandag zei tegen de mevrouw van vrijdag: ‘Wat een herrie, ik kan niets verstaan met al dat gekakel door elkaar, dat wil niet met mijn hoorapparaat hoor. U moet iets harder praten!’
Het ging over kwaaltjes, politiek en zorg, pensioen, de foto’s van de kleinkinderen waren al uit de tassen gevist.

En terwijl ze de jassen van haar oudjes ophing en glimlachend naar ze keek dacht ze: ‘Wie zei ook weer dat ik mijn werk niet mee naar huis mocht nemen’?

© KH

(enige gelijkenis met bestaande personen berust op louter toeval)

Tuesday, 11 September 2012

Eten als troost.



Het was alsof ze een ander was, zichzelf niet was. Anderen zouden zeggen dat ze gewoon slap was. Dat ze gewoon zichzelf niet in de hand had. Dat ze een dik, lui mens was dat zich de hele dag vol zat te stoppen. Maar ze wist wel beter. Hoewel er soms dagen waren dat ze haast niks at, waren er, zo wist ze, ook dagen zoals nu, dat ze gedachteloos een zak chips naar binnen lag te werken. Gewoon hangend op de bank, voor de tv. Ze proefde het niet eens! Wist niet eens wat voor smaak, wat ze at, maar het zat in haar mond voor ze er erg in had. Emotie-eten, noemden ze het. Tja, dat was het eigenlijk ook wel. Eten was haar troost geworden. Haar enige troost zo leek het. Het enige moment dat ze niet hoefde na te denken over haar gevoelens. Het enige moment dat ze zich goed voelde. Tot die zak chips, de reep chocolade of wat het op dat moment dan ook was, op was. Dan voelde ze zich schuldig. En dik, vies en onaantrekkelijk. En vooral, dood- en doodongelukkig. Ze wilde namelijk helemaal niet nadenken over het waarom van haar ongelukkig voelen. Dat wist ze best wel. Maar als ze daarover na ging denken, kwamen de tranen. En als die eenmaal kwamen, dan kon ze niet meer stoppen, en ze was bang dat ze dan nooit meer zou kunnen stoppen.

Rond half 6 begon het. Eerder eigenlijk al. Zo rond de klok van vijf. Als ze aan het eten moest beginnen. De kinderen zaten op hun kamer en zij liep zenuwachtig rond. Haar maag maakte salto’s. Het leek meer of er een steen op lag. Of in lag. Zo’n beklemmend gevoel kreeg ze. De hele dag merkte ze daar niets van maar ’s avonds! Als ze dan in de keuken bezig was en ze hoorde de sleutel in het slot van de voordeur dan dacht ze: ‘O nee, daar is hij weer.’ Ze wist niet dat hij ongeveer hetzelfde dacht: ‘O nee, ik moet weer.’ Ze trok haar gezicht in de plooi en begroette hem. Hij mompelde wat. Een kus kreeg ze niet. Al heel lang niet meer. Bloemen? Ze kon zich de dag niet heugen. Hij liep vervolgens naar boven, naar de kinderen en daar hoorde ze hem heel enthousiast zijn. Ze zuchtte en ging verder aan het eten. Ze dacht terug aan de tijd dat de kinderen nog jong waren en hij ze voor las voor het slapen gaan. Hij deed dat met stemmetjes. ‘Nog een keer, papa, nog een keer.’ Ze filmde dat met de videocamera en hij had opgekeken en geglimlacht. Toen nog wel. Boos veegde ze traan weg die van haar wang naar beneden rolde. Ze rechtte haar rug en riep naar boven: ‘Het eten is klaar.’

Terwijl zij de keuken op ruimde, de kinderen weer verdwenen waren naar hun kamers, zat hij voor de tv wat te zappen. Later zou hij in slaap vallen voor de tv, zo wist ze. Zoals iedere avond. Als zij dan de tv op een andere zender wilde zetten, werd hij wakker en boos dat ze hem op een andere zender gezet had. Zeggen dat hij in slaap gevallen was, had geen zin. Als hij al wat zei. Meestal negeerde hij haar. Er gingen soms weken voorbij zonder dat hij een woord tegen haar gesproken had. Ze kon zich niet eens meer herinneren hoe lang dit al gaande was. Soms sprak ze er met een vriendin of met haar moeder over. Maar vaker hield ze haar mond. Soms zei ze tegen hem: ‘We moeten praten, we kunnen zo toch niet oud worden.’ Dan zei hij: ‘ Ik word niet oud.’ En daar kon ze het dan mee doen. Als hij naar zijn werk was, huilde ze bittere tranen, van eenzaamheid, van ellende, maar vaker at ze haar eenzaamheid weg en verstopte ze de zakken. Langzamerhand kwam ze in een cirkeltje waar ze niet meer uit leek te geraken. Oorzaak en gevolg liepen door elkaar heen. Iedereen zag dat het slecht ging met haar relatie, zelfs de buurvrouw had eens een opmerking gemaakt of het wel goed ging met haar en haar man. En toch, ze wist niet hoe ze verder moest. Zich van ellende vol blijven stoppen kon toch ook niet lang goed blijven gaan? Ze zag hoe haar man walgde van haar lijf. In bed draaide hij zich van haar af. Als ze al tegelijk naar bed gingen. Zij lag er meestal eerder in dan hij. Ze had het gevoel dat hij haar de schuld gaf, maar ze vond dat zo oneerlijk! Hij was toch begonnen met haar te negeren! Hij knuffelde haar nooit, hij gaf haar geen liefde. Het eten was er altijd, stelde haar nooit teleur. Al was dat maar een korte bevrediging, maar was ze zich kon herinneren van seks met haar echtgenoot, was die bevrediging ook nooit lang, dus veel verschil had dat niet gemaakt. Stiekem moest ze om die vergelijking lachen. Verstoord keek haar man haar aan. En ineens, toen ze hem zo zag kijken, zag ze hem voor wie en wat hij was. Een vervelende, nare, egocentrische man.

De volgende dag hoorde ze geen sleutel in het slot. Hij kwam thuis in een leeg huis. Zonder avondeten op tafel. Zonder vrouw, zonder kinderen. Hij kon zwijgen wat hij wilde, er was niemand die zich daaraan stoorde. Hij keek verbaasd rond en belde zijn moeder, zoals altijd als hij boos op haar, zijn vrouw, was. ‘Ze is weg’, zei hij toch enigszins verbaasd. ‘Ja, de kinderen ook. Natuurlijk ben ik beter af, moeder, maar hoe durft ze mij te verlaten! Ik zal haar dwarsliggen waar ik maar kan! Geloof mij maar!’ En dat deed hij dan ook. Maar zij, zij trok zich er niets van aan en was gelukkiger dan ooit. Ze had geen eten meer nodig om een leegte in haar leven te vullen. En ook al werd ze nooit echt slank, ze vond dat ze de beste beslissing van haar leven gemaakt had.

En wat hij ook deed of wat hij ook probeerde, het raakte haar niet meer, nooit meer.


© KH

Thursday, 2 August 2012

Toeval bestaat niet


Achteraf bekeken was het misschien helemaal niet zo’n goed idee geweest. Maar dat was achteraf. Dat is vaak met alles zo, achteraf had je dingen beter anders kunnen doen. Terugkijken heeft geen zin, overdoen kun je het niet. Maar ja, hier staat ze dan. Terug kijkend op wat ze beter anders had kunnen doen. Het bloed kleeft nog aan haar handen. Ze staat als aan de grond genageld, verstart bijna. Ze kijkt naar haar handen. Het bloed is niet haar eigen bloed. Ze voelt tenminste geen pijn of ongemak. Ongemak, ze grinnikt nerveus van de gedachte aan het woord. Ze kijkt weer om zich heen. Het is geen fraai gezicht. Meubels zijn omver gegooid zo lijkt het. Voor haar op de grond ligt een bebloed keukenmes. ‘Niet aanraken’, dreunt het door haar hoofd. Je wilt niet dat daar je vingerafdrukken op komen. ‘Als dit niet mijn bloed is’, denkt ze, ‘wiens bloed is dit dan wel? Moet er dan niet iemand zijn waar dat bloed uit komt of uit stroomt? Het is best wel veel bloed.’ Ze begint een beetje in paniek te raken. Ze weet niet waar ze is, van wie het appartement is waar ze zich in bevindt en wat ze moet doen. Ze dwingt zichzelf te lopen. Ze loopt naar een kamer en stuit op de badkamer, puur toeval. ‘Toeval bestaat niet’, mompelt ze. Ze wast haar handen zonder in de spiegel te kijken. Ze is bang voor haar eigen spiegelbeeld, bang wat ze daarin zal aantreffen. Dwangmatig blijft ze maar boenen, alle bloedvlekken zijn inmiddels verdwenen. Met trillende handen pakt ze een van de donkere handdoeken die netjes op een stapel liggen. Terwijl ze haar handen droogt kijkt ze toch in de spiegel. Een bleek gezicht met wallen onder de ogen kijkt haar aan. Het blonde haar kleeft aan haar gezicht. Zweetdruppels glijden naar beneden. Geen bloed. Ze slaakt een zucht van verlichting. Langzaam leunt ze voorover. Het koude spiegelglas tegen haar voorhoofd is een verkoeling. Als ze weer in de spiegel kijkt moet ze haar hand voor haar mond slaan om niet in gillen uit te barsten. Achter haar steekt een hand over de badkuip en het bloed druipt over de hand op de tegels.

Met haar hand nog steeds over haar mond draait ze zich langzaam om. De hand hangt inderdaad over de badkuip heen. Het is een prachtige badkuip. Zo een op sierlijke pootjes, alleen heeft  diegene die daarin ligt te druipen daar nu niets meer aan. Voorzichtig doet ze een stap dichterbij. Het is een vreselijk gezicht. Overal zit bloed. Tegen de muur, op het bad, het lichaam. Het lichaam zelf is onherkenbaar. Ze zou niet weten wie het is. Een donkerharige man (dat ziet ze dan wel aangezien het slachtoffer naakt is) met messteken en halen overal waar maar gestoken had kunnen worden. Zijn ogen zijn open maar zijn blik staat op oneindig. Had zij dit gedaan? Nee, ze kan het zich niet voorstellen, absoluut niet. Ze is er niet toe in staat! Ze doet een stap achteruit en verlaat de badkamer. In de woonkamer kijkt ze rond. Dat mes ligt er nog, maar verder alleen die omver gelopen of geduwde meubels. Kon ze zich nu maar wat herinneren. Ze gaat naar de open keuken. In het messenblok mist uiteraard 1 mes. Maar verder lijkt alles normaal, geen kapotte dingen of zo. Ze loopt het appartement door op zoek naar, ja naar wat eigenlijk? Naar herkenning eerder. Woont zij hier? Wat is er gebeurd? Ze weet het niet. Haar geheugen is een groot gapend gat zo lijkt het. In de slaapkamer hangt een foto. Ze ziet een donkerharige man, de man in de badkuip zeker, en een roodharige vrouw innig gearmd. Nee, dit is niet haar huis. Wat doet zij hier dan? Een jas, ze moet een jas bij zich gehad hebben. Ze loopt terug naar de kamer en doorzoekt voorzichtig de hele kamer en gang. Haar jas hangt aan de kapstok, ze herkent hem. ‘Hoe kan ik dat nou ineens herkennen’, denkt ze. Ze doorzoekt de zakken en vindt een politiebadge. Ze kijkt ernaar en ineens vallen alle stukken op hun plek. Ze ziet zichzelf aan haar bureau zitten. Een telefoontje krijgen over een mishandeling in huiselijke sfeer en er met haar partner op af gaan. Maar waar is dan haar partner en waar is dan de roodharige vrouw? Waar is haar wapen en waarom hangt haar jas aan de kapstok? En hoelang is dit alles geleden? In haar zakken vindt ze ook haar mobieltje. Ze kijkt en ziet tientallen gemiste oproepen. Het bureau, haar partner. Ze luistert haar voicemail af en hoort de eerste berichten: ‘Anne-miek, wacht op versterking. Meer info gekregen over plaats delict. ‘Anne-Miek, keer terug, nu ze Ronald hebben, keer terug! Onmiddellijk! ‘Anne-Miek, met Ronald, kom naar de haven, ze wil onderhandelen. Kom alleen.’

Het laatste bericht was van haar partner Ronald. Meteen trekt ze haar jas aan. Het komt allemaal weer boven. Ronald en zij waren op de melding huiselijk geweld af gegaan. Hier aangekomen bleek de roodharige vrouw de donkerharige man te bedreigen. Het mes stond al op zijn keel toen ze binnen kwamen. Ondanks dat ze met getrokken pistolen kwamen, konden ze niets uitrichten. Ronald had voorgesteld hun wapens neer te leggen zodat zij het mes neer zou leggen. Haar leek het geen goed idee. Maar Ronald is haar superieur, dus moest ze doen wat hij zei. Zodra zij hun pistolen neergelegd hadden reet ze de donkerharige man van boven tot onder open. Het bloed droop overal. Ze was watervlug en griste voor hun neus de pistolen weg. Drukte er 1 tegen Ronald’s hoofd en dwong haar de donkerharige man in de badkuip te leggen. In de woonkamer kreeg ze een klap met een stomp voorwerp en vanaf die tijd weet ze niets meer.
Ze vindt de autosleutels in de zak van haar jas en rent de trappen af. Intussen belt ze het bureau. Ze heeft al 1 fout gemaakt, niet nog 1. Zij zal eerder aankomen maar niet zonder dat ze het bureau gewaarschuwd heeft. Natuurlijk mag ze niet alleen gaan, ze gaat toch ook dat weten ze.
Als ze bij de haven aankomt weet ze al dat ze te laat is. Ze herinnert zich weer dat Ronald haar ooit vertelde dat hij een vriendin had en zijn vrouw er niet van wist, en haar vriend ook niet. De puzzelstukjes zijn in de rit hierheen op zijn plaats gevallen. Maar waarom hij instemde met een moord is haar niet duidelijk. Als ze bij de haven aan komt ziet ze het al en stromen de tranen over haar wangen. Daar ligt de vrouw van Ronald in net zo’n plas bloed als de donkerharige man.
‘Goddank, dat ze geen kinderen hadden’, mompelt ze terwijl ze haar mobiel pakt en de nodige voorbereiding treft.

© KH

Friday, 15 June 2012

Verward


Waar kwam al dat bloed vandaan? En waar was ze? Ze keek om zich heen en herkende de omgeving niet direct. Maar dat bloed. Ze keek er nog een keer naar, verbaasd eigenlijk. Het stroomde gewoon. Verbijsterend, dacht ze. Wat veel. Ze keek waar het vandaan kwam en zag een mes liggen. Goh, wat een groot mes. Het leek wel een slagersmes, zo een die je wel in de keuken gebruikt en die in zo’n blok met meerdere messen staat. Het lag middenin een grote plas bloed, helemaal besmeurd. Ze keek langs het mes heen en zag een uitgestrekt been te midden van al dat bloed. Ze keek langs dat been omhoog, zag een arm en een gezicht. Het gezicht was zo te zien van een man van middelbare leeftijd, grijs op de slapen, drie dagen baardje, ogen wijd open gesperd. Niet eens een onaantrekkelijke man, dacht ze. Als hij er niet zo vreemd bij gelegen had. Ze kroop op handen en voeten voorzichtig dichterbij. Niet het bloed raken, dacht ze nog. De man had een gat in zijn zij waar al dat bloed uitstroomde. Nou ja, een gat was het niet echt, meer een soort van winkelhaak die liep van zijn borst naar zijn zij. Alsof iets of iemand hem had willen open scheuren. Wat een akelig idee, dacht ze. Wie zou dat nou willen doen? De man leek haar zo op het eerste gezicht, als je dat van een lijk kon zeggen, best aardig. Wie zou hij zijn? Sterker nog, wie was zij en wat deed zij hier bij hem?

Ze kroop terug en ging zitten met haar rug tegen de muur. Ze keek om zich heen. Ze was in een woonkamer. Er brandden wat schemerlampen en de gordijnen waren dicht. Het was wat rommelig, er waren wat stoelen omgevallen, tijdschriften lagen overal en nergens verspreid over de grond en ze zag nu ze goed keek dat er foto’s van de kast op de grond gegooid waren en stuk gevallen waren. De man lag halverwege tussen de woonkamer en de open keuken. In de keuken was het al net zo’n rommeltje. En wat was dat gefluit in haar oren toch? Ze keek omhoog en zag stoomwolkjes van het fornuis komen. Moeizaam stond ze op. Haar benen leken wel van lood zo zwaar voelden ze aan. Ze keek de keuken in en zag een fluitketel op het fornuis staan. Ah! Het gefluit. Ze liep er strompelend naar toe en draaide het gas onder de ketel uit. Onmiddellijk verdween het gefluit uit haar oren. Dat was beter. Nu ze stond zag ze nog beter wat een puinhoop het eigenlijk was. Ze keek naar haar handen. Kleefde daar nu bloed aan? Ze moest zich vasthouden aan het aanrecht anders was ze opnieuw op de grond beland. Ze keek naar de man en schudde haar hoofd, het kon niet, dat had zij nooit gedaan. Snel stopte ze met haar hoofd schudden. Dat deed zeer. Voorzichtig betastte ze haar hoofd. Daar zie je wel! Ze had een hoofdwond, daar kwam natuurlijk het bloed vandaan.

Ze liep de keuken uit en ging op zoek naar een badkamer. Daar schrok ze van haar eigen spiegelbeeld. Een bleke vrouw met donkere wallen onder haar ogen en een fikse bloeduitstorting onder haar oog keek haar aan. Haar haren zaten door de war en haar kleren waren gescheurd. Er kleefde bloed in haar haren en om eerlijk te zijn: Ze wist gewoon niet zeker of zij dit wel was. Ze herkende de vrouw die haar in de spiegel aan keek niet. Ze waste haar handen, tot al het bloed eraf was. Toen opende ze het badkamerkastje en na een inspectie kwam ze tot de conclusie dat er in ieder geval in dit huis een man en een vrouw moesten wonen. Of zij dat nou was, dat was nog de vraag. Er stond aftershave in,scheerschuim en scheermesjes, maar ook parfum, dagcrème, nagellakremover, make-upremover en nog meer vrouwendingen. Gelukkig, er lagen ook aspirines in. Snel nam ze er 2 en dronk er een groot glas water bij. Misschien dat nu die bonkende hoofdpijn zou verdwijnen al zou die wel komen van die hoofdwond. Waarschijnlijk kwam daar ook haar vergeetachtigheid van. Ze liep naar het raam en gluurde door het gordijn naar buiten. Ze bleek zich op een bovenwoning te bevinden. Een appartement dus. Het was licht buiten maar ze besloot de gordijnen maar dicht te laten. Ze liep door het appartement op zoek naar herkenbaarheid. Iets wat haar eraan herinnerde wie of wat ze was en wat er gebeurd zou kunnen zijn. Ze vond een slaapkamer en in de kast ook weer mannen-en vrouwendingen. Vrouwenkleding, mannenkleding. Ze rommelde door de vrouwenkleren en hield iets voor zich. Zo te zien haar maat. Dit zou dus haar appartement moeten zijn. Ook een foto aan de muur deed haar dat vermoeden, aangezien zij daarop stond (ze vergeleek de foto met haar gezwollen gezicht in de spiegel) samen met.. de man in de keuken? Ze dacht van wel. Dus woonden zij samen in dit huis? Ze wist t niet zeker maar hoe meer ze vond, hoe meer ze daarvan overtuigd raakte. Alleen, waarom lag hij daar dood en was zij zo toegetakeld? Had zij hem gedood? Ze kon het zich niet alleen niet voorstellen maar ook niet meer herinneren. Ze vond een handtas op een stoel in de slaapkamer die bezaaid lag met kleding. Ze pakte hem op, ging ermee op het bed zitten en gooide de inhoud op bed. Een portemonnee, lippenstift, huis-en autosleutels, een agenda en verder wat losse dingen die onbelangrijk leken. Ze opende de portemonnee. Er zat geld in, zo’n € 50, - en pasjes. Haar ID vond ze ook. Met een naam. Gelukkig wist ze in ieder geval hoe ze heette. Inge van Dam. Het klonk totaal niet bekend in haar oren. Maar het stond er toch echt. Met haar foto erbij. Dan zal het toch wel, dacht ze. Ze bladerde in haar agenda. Een aantal afspraken, onder andere de huisarts eergisteren, was ze geweest?, en de makelaar morgen. Makelaar? Toch niet voor dit huis? O mijn hemel, dan mag ik wel gaan opruimen, schrok ze. Om meteen te denken: Die kan ik beter bellen, misschien kan ik het verzetten. Er stond een nummer bij en ze pakte de telefoon en toetste het nummer in.

‘Makelaarskantoor van der Veen, goedemiddag met Marijke, waarmee kan ik u helpen?’ hoorde ze. ‘Eh’, stamelde ze. ‘Met Inge van Dam’. Het kwam er aarzelend uit, ze had moeten oefenen. Ze wist niet eens zeker of het haar naam wel was. Die stomme hoofdwond ook. Maar wat ze wel wist was dat ze nu af moest bellen want voor hetzelfde geld vergistte ze zich in de dagen en kwamen ze vandaag! ‘Ing!’, de stem die haar begroette klonk in ieder geval joviaal. ‘Mens wat heb ik lang niets van je gehoord! Ik stond gisteren bij je aan de deur maar er was niemand! Waar zat je? We hadden gisteren een afspraak hoor!’ Gisteren dus, zie je maar goed dat ze even belde. ‘Ja, eh dddaarom bel ik ook’, stotterde ze.  Het was vreemd haar eigen stem te horen. Gisteren? Wat was er in vredesnaam gebeurd dan? Was ze zo lang buiten westen geweest? Dat kan toch helemaal niet? ‘Wat is er met je?’ vroeg de stem die kennelijk tot een of andere Marijke behoorde. ‘Het gaat toch wel goed. O nee, er is weer wat tussen jou en Mark. Dacht ik het niet? Wanneer maak je het nou eens uit met die druiloor! Ing, ik heb al vaker gezegd, hij deugt niet! Hij is zo vreselijk dominant! Je mag niks in je eigen huis! Daarom zou ik gisteren komen weet je wel! Ik zou je huis te koop zetten en jij zou lekker tijdelijk bij mij in trekken. Ik maakte me echt zorgen, maar toen ik niks hoorde en aan wilde bellen dacht ik stemmen te horen en belde nog langer. Mark deed open en die zei dat jij er helemaal niet was! Dat jij een paar dagen bij je moeder was. Hij heeft je toch niks aan gedaan he! De klootzak, ik vertrouw hem voor geen meter. Het is zo’n mooie man, maar zo’n rottig karakter ongelooflijk! Ik wed dat jij er wel gewoon was, of niet? En dat hij toen ik weg was je gewoon helemaal verrot geslagen heeft, heb ik gelijk, Ing? En dat jij daarna niet eens meer mij kon bellen, moet je weer dagen binnen zitten met blauwe plekken overal. Bel de politie toch, meid! Maar dat doe je toch niet. Die klote kerels ook. Je weet toch dat ik ook ooit zo’n ‘vriendje’ had! Het is klaar met die kerels hoor. Weet je ik kom er onmiddellijk aan ook, ik heb nog vrije uren over, ik neem ze nu op. Ik kom!’ En voor ze het wist had Marijke opgehangen en zat ze met de hoorn nog in haar handen verdwaasd te kijken.

Ja, het kwam allemaal weer terug. Zo was het gegaan, precies zoals Marijke gezegd had. Mark.. Mark lag in de keuken. Met een winkelhaak in zijn zij. Langzaam stond ze op, legde de telefoon neer en strompelde naar de keuken. Het stromen van het bloed was gestopt maar het was wel een vreselijke puinhoop zeg. Mark lag nog steeds met open ogen die niets meer zagen. Ze trok een stoel dichterbij en ging zitten. Haar gedachten maalden. Mark sloeg haar. Al jaren waren ze een stel. De eerste jaren waren nog fijn en was er niks aan de hand geweest, maar Mark ging zich steeds jaloerser gedragen. Ze mocht niks meer, hij schreeuwde, trok aan haar haren, sloeg haar. En zij schrok wel de eerste keren maar hij had altijd zoveel spijt daarna dat ze het hem iedere keer weer vergaf. Hij was zo’n mooie man, en hield zoveel van haar. Haar moeder kon zo goed met hem opschieten. ‘Het is zo’n charmante man, Inge’, zei ze dan. ‘Als jij problemen hebt met hem, zal het wel aan jou liggen, Mark is een heel innemende persoonlijkheid, en jij kan zo’n kattenkop zijn. Geen wonder.’ Ze was aan zichzelf gaan twijfelen. Ze moest blij zijn dat hij bij haar bleef, en dat zei hij haar ook, keer op keer. Terwijl hij haar sloeg, nadat hij haar geslagen had, wanneer dan ook. Terwijl ze naar hem keek, kwam het allemaal terug, ook zijn woede, haar verdriet en de wanhoop. Haar vriendin Marijke, die bij het makelaarskantoor werkte, had haar aangeraden haar huis te verkopen, dan had ze geld en kon ze gaan en staan waar ze maar wilde maar hij was er achter gekomen. Hij had haar in haar gezicht gestompt. Zo hard. En toen ze wegrende en de deur wilde openen sloeg hij haar met een stomp voorwerp op haar hoofd. Ze was buiten westen geraakt.

Nog steeds staarde ze naar hem, daar op de grond. Die winkelhaak, dat mes. Het verklaarde nog niet hoe hij dan daaraan gekomen was. Ze snapte het niet. Zij had dat niet gedaan, het kon niet. Ze was bewusteloos geweest, tot ze vanmorgen bij gekomen was en al dat bloed had zien liggen. Langzaam schudde ze haar hoofd: ‘Het klopt gewoon niet’, mompelde ze in zichzelf. ‘Wie heeft dat dan gedaan als ik dat niet gedaan heb?’ ‘Ik’ zei een stem achter haar. En voor ze zich kon omdraaien voelde ze het mes tussen haar borst. Verwonderd keek ze omlaag en zag het bloed, haar bloed dit keer. Ze gleed van haar stoel af op de grond, naast Mark. En voordat het licht uit haar ogen verdween zag ze haar beste vriendin haar appartement uitlopen.

© KH

Wednesday, 30 May 2012

Bij bewustzijn


Terwijl ze daar lag, haar hoofd ingeklemd zodat ze het niet bewegen kon, keek ze met wijd open ogen naar het plafond. Althans ze dacht dat ze lag te kijken naar een plafond. Het was niet meer dan een waas voor haar ogen nog. Naast haar ergens ver weg nog, klonk een constant gepiep. Ze wilde slikken maar dat werd bemoeilijkt door iets. Er zat iets in haar keel. Was het een slangetje? Ze kon ook al niet ademhalen door haar neus, merkte ze. Daar zat ook al iets in. Ook een slangetje? Waar was ze in vredesnaam? Wat was dat akelige gepiep? En dat kleine beetje dat ze door haar andere, vrije neusgat kon ademen, ruiken, wat voor geur rook ze daarmee? Wat voor vreemde lucht was dat? Waarom kon ze haar hoofd niet bewegen? Of slikken?

Hoorde ze nu stemmen? Vaag gemompel drong tot haar door. Er verscheen een hoofd boven haar gezichtsveld. Iemand scheen met een irritant fel lampje in haar ogen. Weer gemompel tegen een onzichtbaar iemand wat ze niet kon verstaan. Kon ze nu haar hoofd maar bewegen, of verstaan wat er gezegd werd. Het hoofd verdween en kwam weer terug. Hij leek het nu tegen haar te hebben. Ze had geen idee wat hij zei. Haar hoofd leek wel uit watten te bestaan. Zijn handen betasten haar hoofd, tenminste dat dacht ze. Ze voelde het niet, wat haar weer zorgen baarde, maar ze zag zijn handen richting haar hoofd verdwijnen. Zijn hoofd schudde met een frons tussen zijn wenkbrauwen heen en weer. Als ze er over na dacht: Ze voelde eigenlijk helemaal niks. Behalve dan dat ze zich vaag bewust was van een rot gevoel in haar keel. Het hoofd van de man zat vast aan een witte jas. Dus toch een ziekenhuis? Maar hoe dan? En waarom dan? Ze wilde het vragen maar ze had geen idee hoe ze dat moest doen. Ze lag daar maar en kon niets van wat ze zou willen.

Ze moest geslapen hebben want toen ze zich weer bewust werd van het gepiep en haar omgeving was het donker. Het hoofd met de witte jas was weg, en ze hoorde ook geen gemompel meer. Het was nog steeds niet mogelijk ook maar iets te bewegen. Het enige wat bewoog was, dacht ze, haar grote teen. Ze kreeg jeuk in haar neus en wilde niezen maar zelfs dat lukte niet. Ineens hoorde ze een langdurig gepiep naast haar. Ze schrok ervan. Wat had ze gedaan? Niks toch? Ze wilde alleen maar even niezen! Haastige voetstappen renden over de gang. Het licht in haar kamer floepte aan, stemmen klonken, haast schreeuwend, tegen elkaar. Het hoofd van de man verscheen weer boven haar gezicht. Hij zei weer wat tegen haar. Dit keer hoorde ze alleen maar de woorden: ‘Blijf’ en ‘niet’ en toen hij zich omdraaide naar, ja dat wist ze dus niet, hoorde ze hem gehaast roepen: ‘opereren’. Hij zou het toch niet over haar hebben? Ze wiebelde weer met haar grote teen. Maar hij zag het niet.

Even later reed ze met bed en al door een gang. Aan weerszijden van haar bed renden mensen. Iemand hield haar hand vast. Wie was dat? Ze wilde haar hoofd draaien maar dat ging niet. Weer hoorde ze iemand roepen, duidelijker dit keer: ‘Ze gaat toch niet dood?’ Ze rilde even, die stem, ze moest die stem kennen. Maar waarvan moest ze die kennen? Kon ze nu haar hoofd maar draaien. De man van de witte jas, die dus een arts moest zijn, liep aan de andere kant van haar bed. Hij keek haar aan, voelde in haar nek, was het haar nek? ‘Wacht even’, riep hij en het bed hield stil. Hij deed iets bij haar hoofd terwijl hij tegen de man aan de andere kant van het bed zei: ‘Ze gaat zo naar de operatiekamer. We weten niet hoe het daar zal gaan. Als je nog wat wil zeggen, zou ik het nu doen, als ik u was. U heeft niet lang de tijd, we hebben haast. We geven u even wat privacy.’ Wat gek, dacht ze, dat ik ineens alles weer hoorde. Ze werd langzaam wakker zeker en natuurlijk beter. En zij wisten het niet. Ze moest het ze vertellen, als dat rottige slangetje maar niet in de weg zat. Ze moest zuinig met haar zinnen zijn, want veel tijd had ze niet, ze zouden haar zo onder het mes leggen. Het was niet nodig. Ze werd beter! Ze zag de arts weg lopen en de andere man boog zich over haar heen. Ze herkende hem. Wat zag hij eruit zeg! Hij had een hechting in zijn wenkbrauw en een blauwe plek op zijn wang. ‘Wat is er met je gebeurd?’, wilde ze vragen. Maar er kwam geen stom woord over haar lippen. Ze probeerde het nog eens maar helemaal niets. Ze bewoog haar grote teen nog maar eens. Hij zag het niet. ‘Mark’, wilde ze roepen, ‘Mark, help me’. Hij huilde en keek haar met betraande ogen aan. ‘Het is mijn schuld’, huilde hij. ‘Als ik niet gedronken had, en naar je geluisterd had toen jij zei dat jij wel zou rijden. Waarom luister ik nou nooit naar je? Sophie, het spijt me zo. Ik had nooit moeten rijden met zoveel drank ik mijn stomme lijf. Het ongeluk, Sophie, wat ik veroorzaakt heb, er zijn 2 kinderen gestorven en hun moeder, en nu jij… ‘ Hij hield op met praten en snikte. Zijn hoofd legde hij op haar borst en het enige wat ze kon denken was: Stommerd, stomme stommerd. Ze zag het ongeluk weer voor me. De ruzie daarvoor. Hoe ze zijn sleutels wilde afpakken. Hoe hij haar een mep wilde verkopen, ze weg dook en hij haar de auto in duwde en vervolgens met zijn dronken kop de weg op scheurde. Ze had niet eens de kans gehad haar gordel om te doen. Ze had doodsangsten uitgestaan. Hij had zitten razen en tieren op haar, op het overige verkeer en toen hij bij die kruising kwam… Ze zag het weer voor zich. Die auto, de vrouw met twee kleine kinderen, hij botste er frontaal tegen aan. Zij knalde op het dashboard en vloog door de voorruit. Hij had een airbag gehad. Zij niet.

Verpleegkundigen kwamen haar halen en trokken hem weg. Ze hoorde hem nog smeken en huilen. Het kon haar allemaal niet meer schelen. Door hem lag ze hier. De arts boog zich over haar heen. Ze wilde weer wat zeggen, dat het wel goed kwam, ze wiebelde met haar grote teen. Het mocht niet baten. ‘Is er genoeg narcose toegediend’? hoorde ze de arts vragen. Op het bevestigende antwoord begon hij uit te leggen wat hij het eerst ging doen. En ze hoorde alles! Ze was niet onder narcose. Ze hoorde het. Ze wilde gillen, schreeuwen, huilen. Wat dan ook, maar niets hielp. De arts maakte haar borstkast open met een akelig gekraak en gescheur. Ze gilde het uit, dacht ze, maar het was zonder stem. De pijn was ondraaglijk. Val flauw, dacht ze, val flauw in godsnaam. Maar ze viel niet flauw. Ze lag daar en voelde alles. Van het repareren van het lek in haar lijf, tot het hechten en dicht branden van kapotte ‘onderdelen’. Iemand anders was bezig haar been in het gips te zetten. Een ander haar nekwervels recht te zetten. Ze dacht dat ze gek werd van de pijn. ‘Haar hersenactiviteit is wel enorm hoog, alarmerend hoog.’ Zo zei er iemand. ‘Haar pols is ook vreselijk hoog.’zei een ander. Maar bedacht nou niemand dat ze wakker was? Het hoofd van de arts keek haar aan. Door een waas van tranen zag ze hem en zij, dacht ze, knipperde met haar ogen. ‘Mijn God’, riep hij, ‘Ze is wakker!’ Het ‘hoe is het mogelijk’ en ‘och en wee’ was niet van de lucht maar ondertussen kon ze niet meer. En eindelijk, eindelijk bezweek ze.

De lucht was blauw, de zon scheen. Vogels zongen. Het was een prachtige lentedag. De arts liep met grote passen het gebouw uit en begaf zich naar een bankje in de zon. Daar ging hij zitten naast een jonge vrouw in een rolstoel. Hij raakte haar aan. Langzaam draaide ze haar hoofd om. Ze glimlachte naar hem. ‘Hoe gaat het vandaag, Sophie?’ vroeg hij. Ze glimlachte nog steeds en keek langs hem heen. Ze keek niet echt naar hem wist hij. Sinds de operatie was ze min of meer een kasplantje ook al kon ze zelfstandig ademen en met hulp eten. Praten kon ze niet meer en blijk van herkenning of begrip had hij nooit gezien. Voor de operatie niet en erna ook niet. Hij was altijd voor haar blijven zorgen, noem het schuldgevoel, noem het medelijden, maar hij noemde het plichtsbesef en ja misschien zelfs genegenheid die hij voor haar was gaan voelen.
‘Ik vind het zo erg Sophie’, mompelde hij. Zijn ogen vulden zich met tranen. Door een waas keek hij haar aan en zag tot zijn verbazing dat ook haar ogen zich met tranen vulden.

© KH

Monday, 30 April 2012

Een 'gewone' werkdag?

Ze werd wakker zoals elke andere dag. Ze wreef in haar ogen. Rekte zich uit en gaapte. Ze keek op haar wekker. Het was nog vroeg. Langzaam strekte ze haar armen en benen en sloeg de dekens naar achteren. Ze sloeg haar benen over de rand van het bed. Het werd een drukke dag vandaag. Zoals alle andere dagen, maar toch anders. Geen enkele dag zou meer hetzelfde zijn. Nooit meer. Even voelde ze een brok in haar keel en keek naar de plek van het bed dat al jaren onbeslapen was. Zijn steun zou ze vandaag meer dan ooit hebben kunnen gebruiken. Moeizaam slikte ze de brok weg en stond op van haar bed. Ze liep naar de badkamer en nam een douche. Na het hele ochtendritueel te hebben doorlopen liep ze naar beneden waar haar ontbijt al klaar stond. Ze knikte op de vraag of ze goed geslapen had, gaf antwoord op vragen en toen haar zoon binnenliep kwam er zowaar een glimlach om haar lippen. Hij gaf haar een bemoedigend kneepje in haar arm en een kus op haar wang terwijl hij ging zitten voor het ontbijt. Samen namen ze de dag door. 

'Het wordt een prachtige dag. De zon staat hoog aan de hemel. We boffen met het weer.' Ze keek haar schoondochter glimlachend aan. Wat zag ze er schitterend uit. Over haar hoefde ze zich geen zorgen te maken. Zij zou het zo over kunnen nemen als ze besloot het niet meer aan te kunnen. Maar wanneer zou dat zijn? Ze had al zoveel meegemaakt in haar leven. Dit kon er ook nog wel bij. Je kreeg wat je aankon en kennelijk kon zij heel veel aan. Ze kon alleen maar hopen dat het hierbij zou blijven. 
Terwijl iedereen zich klaarmaakte om te vertrekken was zij in gedachten verzonken. Ze merkte wel dat haar kinderen het zagen maar dat ze haar even met haar eigen gedachten alleen lieten. Ze was hen er dankbaar voor. 

Haar telefoon ging. Ze keek op het display wie het was. Haar schoondochter uit Engeland. Ze nam met trillende handen op. 'Ik wil u even een fijne dag wensen', hoorde ze. Onwillekeurig slaakte ze een zucht van verlichting. Even was ze bang dat.. Ze merkte dat haar schoondochter het in de gaten had. Zachtjes zei die: 'Er is geen verandering, ik wilde er alleen eventjes bij zijn, en u een fijne dag wensen. Probeer er ondanks alles van te genieten.' Ze was er haar dankbaar voor maar even kwamen de tranen in haar ogen. 
'Moeder, we moeten gaan', hoorde ze. Ze bedankte haar schoondochter en ging zich klaar maken voor vertrek. 

Ze stapte uit de auto, keek haar zoon aan en glimlachte. Ze sloot even haar ogen, slaakte een zucht en rechtte haar rug. Een gejuich overspoelde haar toen ze samen met haar familie aan kwam lopen. Haar familie, haar gebroken familie. Er mistten er een aantal, maar haar gedachten waren vooral bij die ene. Die ene zoon waarvan niemand wist of hij ooit nog wel wakker zou worden. 

© KH